indigo
zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoord ˈɪndiɣoBetekenis
- een kleur die in het het lichtspectrum voorkomt met een golflengte van 440 tot 420 nanometer
- een kleurstof met de blauwige kleur indigo die oorspronkelijk gewonnen werd uit planten van het geslacht Indigofera, zoals wede
- een kleur bezittend als die van de kleurstof indigo
Hoe spreek je indigo uit?
/ˈɪndixo/
Indigo bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɪ | pit |
| n | nek |
| d | dak |
| i | riet |
| x | acht |
| o | boot |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| indigo's | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Spaans, in de betekenis van ‘blauwe kleur(stof)’ voor het eerst aangetroffen in 1582
Woordfamilie van indigo
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| indigo's | meervoud | indigo |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van indigo zijn vastgelegd.