huisjesmelker
zelfstandig naamwoordBetekenis
- iemand die vaak slechte huizen (woningen) tegen woekerprijzen verhuurt, een onbarmhartige woekeraar ofwel malafide huiseigenaar
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| huisjesmelkers | meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘verhuurder van slechte woningen’ voor het eerst aangetroffen in 1866
Woordfamilie van huisjesmelker
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| huisjesmelkers | meervoud | huisjesmelker |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van huisjesmelker zijn vastgelegd.