hachelijk
bijvoeglijk naamwoordBetekenis
- aanmerkelijk aan gevaar of risico blootstaand
bijvoeglijk naamwoord
- aan aanmerkelijk gevaar of risico blootstaand
Verbuiging en vervoeging (bijvoeglijk naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| hachelijke | verbogen, stellende trap |
| hachelijker | onverbogen, vergrotende trap |
| hachelijkere | verbogen, vergrotende trap |
| hachelijkers | partitief, vergrotende trap |
| hachelijks | partitief, stellende trap |
| hachelijkst | onverbogen, overtreffende trap |
| hachelijkste | verbogen, overtreffende trap |
Herkomst
In de betekenis van ‘gevaarlijk’ voor het eerst aangetroffen in 1600
Woordfamilie van hachelijk
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| hachelijke | verbogen vorm | hachelijk |
| hachelijker | vergrotende trap | hachelijk |
| hachelijkere | verbogen vergrotende trap | hachelijk |
| hachelijkers | partitieve vergrotende trap | hachelijk |
| hachelijks | partitive, positive | hachelijk |
| hachelijkst | uninflected, superlative | hachelijk |
| hachelijkste | inflected, superlative | hachelijk |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van hachelijk zijn vastgelegd.