gribus
zelfstandig naamwoordBetekenis
- bouwvallig of onooglijk verblijf, bouwvallige woning, bouwval, rotzooi
- achterbuurt
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| gribussen | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het ?, in de betekenis van ‘bouwvallige woning of buurt’ voor het eerst aangetroffen in 1709
Woordfamilie van gribus
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gribussen | meervoud | gribus |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van gribus zijn vastgelegd.