graszaad
zelfstandig naamwoord ˈɣrɑsatBetekenis
- korrel met een kiem waaruit een plantje uit de grassenfamilie () groeit
- stofnaam van zaaigoed voor weiden en grasvelden
Hoe spreek je graszaad uit?
/ˈxrɑsat/
Graszaad bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| x | acht |
| r | rood |
| ɑ | bad |
| s | sok |
| a | maan |
| t | tak |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — neuter
- korrel met een kiem waaruit een plantje uit de grassenfamilie (Poaceae) groeit
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| graszaadje | verkleinwoord |
| graszaadjes | verkleinwoord, enkelvoud |
| graszaden | enkelvoud |
Herkomst
samenstelling van gras zn en zaad zn
Woordfamilie van graszaad
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| graszaadje | verkleinwoord | graszaad |
| graszaadjes | verkleinwoord | graszaad |
| graszaden | enkelvoud | graszaad |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van graszaad zijn vastgelegd.