geüniformeerd
werkwoord, bijvoeglijk naamwoordBetekenis
- van iemand dat hij of zij een uniform draagt
- gelijkgemaakt, gelijkgetrokken, vervlakt
Woordvorm
- voltooid deelwoord van uniformeren
Vervoeging van geüniformeerd
geüniformeerdhele werkwoord
Herkomst
*vervoeging van uniformeren: de stam met omvoegsel ge- -d
Woordfamilie van geüniformeerd
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geüniformeerder | woordvorm | geüniformeerd |
| geüniformeerdere | woordvorm | geüniformeerd |
| geüniformeerders | woordvorm | geüniformeerd |
| geüniformeerds | woordvorm | geüniformeerd |
| geüniformeerdst | woordvorm | geüniformeerd |
| geüniformeerdste | woordvorm | geüniformeerd |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van geüniformeerd zijn vastgelegd.