geplogenheid
zelfstandig naamwoordBetekenis
- (in België) datgene wat men pleegt te doen
zelfstandig naamwoord
- datgene wat men pleegt te doen formal
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| geplogenheden | meervoud |
Herkomst
afgeleid van geplogen (van het verl.deelw. van het oorspronkelijke sterke werkwoord plegen (gewoon zijn (te), regelmatig doen) met het achtervoegsel -heid
Woordfamilie van geplogenheid
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geplogenheden | meervoud | geplogenheid |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van geplogenheid zijn vastgelegd.