gepaard
werkwoord, bijvoeglijk naamwoordBetekenis
- ~ gaan met tegelijkertijd optreden, onlosmakelijk verbonden zijn
Woordvorm
- voltooid deelwoord van paren
Vervoeging van gepaard
gepaardhele werkwoord
bijvoeglijk naamwoord
- in paren verdeeld
Herkomst
*vervoeging van paren: de stam met omvoegsel ge- -d
Woordfamilie van gepaard
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gepaards | woordvorm | gepaard |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van gepaard zijn vastgelegd.