genade
zelfstandig naamwoordBetekenis
- het afzien van een gerechtvaardigde bestraffing
- een onverdiende gunst
- de onverdiende gunst of gave van God die de mens verheft en doet deelnemen aan het goddelijk leven
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| genaden | meervoud |
| genades | meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘gratie, gunst’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 901
Woordfamilie van genade
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| genaden | meervoud | genade |
| genades | meervoud | genade |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van genade zijn vastgelegd.