geelgors
zelfstandig naamwoordBetekenis
- veel voorkomende gors met hoofdzakelijk geel verenkleed
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- Emberiza citrinella veel voorkomende gors met hoofdzakelijk geel verenkleed
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| geelgorzen | meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘zangvogel’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1477
Woordfamilie van geelgors
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geelgorzen | meervoud | geelgors |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van geelgors zijn vastgelegd.