freestyle
zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoord, werkwoord ˈfriːstɑjlBetekenis
- sportbeoefening waarbij de deelnemers iedere gewenste stijl of methode mogen gebruiken o.a. van toepassing bij snowboarden, skiën, skateboarden, BMX en kajakken
- bergsport zonder hulpmiddelen
- improviserend
- waarbij de onderdelen in variabele aantallen en in een variabele volgorde mogen worden uitgevoerd
Hoe spreek je freestyle uit?
/ˈfristɑjl/
Freestyle bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| f | fiets |
| r | rood |
| i | riet |
| s | sok |
| t | tak |
| ɑ | bad |
| j | ja |
| l | land |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van freestylen
- gebiedende wijs van freestylen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van freestylen
- aanvoegende wijs van freestylen
Vervoeging van freestyle
freestylehele werkwoord