fiscus
zelfstandig naamwoordBetekenis
- een overheidsorgaan dat de heffing en inning van belasting voor een staat verzorgt
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| fiscussen | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘staatskas’ voor het eerst aangetroffen in 1660
Woordfamilie van fiscus
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| fiscussen | meervoud | fiscus |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van fiscus zijn vastgelegd.