fiksen
werkwoordBetekenis
- in orde maken / voor elkaar krijgen / oplossen van problemen
- zorgen dan iets het weer doet als het kapot is
werkwoord
- zorgen dat iets het weer doet als het kapot is
Vervoeging van fiksen
fiksenhele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘in orde brengen’ voor het eerst aangetroffen in 1954
Woordfamilie van fiksen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| fiksend | woordvorm | fiksen |
| fiksende | woordvorm | fiksen |
| fiksten | woordvorm | fiksen |
| gefikst | woordvorm | fiksen |
| gefikste | woordvorm | fiksen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van fiksen zijn vastgelegd.