ergo
bijwoord, zelfstandig naamwoord ˈɛrɣoBetekenis
- daaruit volgt, dus
- gevolgtrekking
- afdeling ergotherapie, veelal met toestellen voor lichaamsbeweging
- deskundige die je helpt om ondanks een beperking dagelijkse handelingen zelf te verrichten
- trainingstoestel, oorspronkelijk meetinstrument bedoeld om sportieve inspanning te meten
- dus
Hoe spreek je ergo uit?
/ˈɛrxo/
Ergo bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɛ | bed |
| r | rood |
| x | acht |
| o | boot |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Herkomst
Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘bijwoord van causaliteit: derhalve’ voor het eerst aangetroffen in 1540
Woordfamilie van ergo
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ergo's | meervoud | ergo |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ergo zijn vastgelegd.