drom
werkwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- een grote groep dringende mensen
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van drommen
- gebiedende wijs van drommen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van drommen
Vervoeging van drom
dromhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘menigte’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1637