doem
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- vloek
- duim
- cent
- gezin, huishouden
zelfstandig naamwoord — masculine
- vloek, oordeel no-plural
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van doemen
- gebiedende wijs van doemen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van doemen
Vervoeging van doem
doemhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘oordeel, vloek’ voor het eerst aangetroffen in 901