dertig
hoofdtelwoord, zelfstandig naamwoord ˈdɛrtəxBetekenis
- '30', het getal tussen negenentwintig en eenendertig, drie maal tien
- om een hoeveelheid aan te geven
- om een plaats in een volgorde aan te geven
- de jaren dertig: de periode van 1930 t/m 1939
- dat wat in een (rang)ordening met 30 is aangeduid
- groep van 30 eenheden
Hoe spreek je dertig uit?
/ˈdɛrtəx/
Dertig bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| d | dak |
| ɛ | bed |
| r | rood |
| t | tak |
| ə | de |
| x | acht |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
hoofdtelwoord
- "30", het getal tussen negenentwintig en eenendertig, drie maal tien
Verbuiging en vervoeging (hoofdtelwoord)
Herkomst
via Middelnederlands dertich van Oudnederlands thrītig, als telwoord voor het eerst aangetroffen in de Lex Salica (509-800); afgeleid van drie ht met het achtervoegsel -tig met metathese van de r-klank
Woordfamilie van dertig
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| dertigje | woordvorm | dertig |
| dertigjes | meervoud | dertig |
| dertigs | meervoud | dertig |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van dertig zijn vastgelegd.