crisistijd
zelfstandig naamwoord 'krizɪstɛɪtBetekenis
- periode waarin sprake is van een crisis
- in het bijzonder de grote crisis die begon met de beurskrach van 1929
Hoe spreek je crisistijd uit?
/ˈkrizɪstɛit/
Crisistijd bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| r | rood |
| i | riet |
| z | zon |
| ɪ | pit |
| s | sok |
| t | tak |
| ɛi | trein |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| crisistijden | meervoud |
Herkomst
samenstelling van crisis en tijd
Woordfamilie van crisistijd
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| crisistijden | meervoud | crisistijd |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van crisistijd zijn vastgelegd.