constante
zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoordBetekenis
- een grootheid waarvan men aanneemt dat zij niet varieert
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| constanten | meervoud |
Woordvorm
- verbogen vorm van de stellende trap van constant
Herkomst
Al dan niet via Frans constant ontleend aan Latijn cōnstāns, teg.deelw. van cōnstāre (vaststaan, gelijkblijven) met het voorvoegsel com-
Woordfamilie van constante
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| constanten | meervoud | constante |
| constantes | meervoud | constante |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van constante zijn vastgelegd.