carport
zelfstandig naamwoord 'kɑːrpɔːrtBetekenis
- een afdak waaronder je een auto kunt parkeren
- carport
Hoe spreek je carport uit?
/ˈkɑrpɔrt/
Carport bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| ɑ | bad |
| r | rood |
| p | pak |
| ɔ | bot |
| t | tak |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine
- een afdak waaronder een auto kan worden geparkeerd
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| carports | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘afdak voor auto's’ voor het eerst aangetroffen in 1979
Woordfamilie van carport
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| carports | meervoud | carport |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van carport zijn vastgelegd.