bobo
zelfstandig naamwoord ˈboboBetekenis
- vooraanstaande personen
- bestuurder van een sportbond
- (Suriname) iemand die traag van begrip is
- (Nederlands-Indië) slaap, slapen
- (bij kinderen)
- schade, beschadiging
- linksgeoriënteerde yuppie, goed opgeleid, met een goedbetaalde aanstelling en een idealistische of non-conformistische levenshouding
- grootvader
- dwaas, gek, mal, dom, zot
- onnozel, naïef
Hoe spreek je bobo uit?
/ˈbobo/
Bobo bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| o | boot |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine
- iemand die traag van begrip is pejorative
- slaap, slapen
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| bobo's | meervoud |
Herkomst
[1] bij uitbreiding buiten de sport ontstaan uit betekenis 2. "bondsbons"
Woordfamilie van bobo
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bobo's | meervoud | bobo |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bobo zijn vastgelegd.