bijscholing
zelfstandig naamwoord 'bɛɪsxolɪŋBetekenis
- het bijscholen d.w.z. het geven van extra scholing aan reeds geschoolde personen om hun vakbekwaamheid of kennisniveau op peil te houden
Hoe spreek je bijscholing uit?
/ˈbɛisxolɪŋ/
Bijscholing bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| ɛi | trein |
| s | sok |
| x | acht |
| o | boot |
| l | land |
| ɪ | pit |
| ŋ | ding |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| bijscholingen | meervoud |
Herkomst
Naamwoord van handeling van bijscholen met het achtervoegsel -ing
Woordfamilie van bijscholing
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bijscholingen | meervoud | bijscholing |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bijscholing zijn vastgelegd.