audicien
zelfstandig naamwoord ˌɑudiˈʃɛ̃Betekenis
- winkelier die is opgeleid om hoortoestellen aan te meten en te verkopen
Hoe spreek je audicien uit?
/ˌɑudiˈʃɛ/
Audicien bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de derde.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɑu | koud |
| d | dak |
| i | riet |
| ʃ | sjaal |
| ɛ | bed |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| audiciens | meervoud |
Herkomst
gevormd uit audioloog of auditeur naar het voorbeeld van woorden als opticien en mecanicien, in de betekenis van ‘specialist voor audiologische apparatuur’ aangetroffen vanaf 1984
Woordfamilie van audicien
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| audiciens | meervoud | audicien |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van audicien zijn vastgelegd.