assessor
zelfstandig naamwoord ɑ'sɛsɔrBetekenis
- de hulp van de voorzitter
- (mede)beoordelaar van een examen of eindwerk
Hoe spreek je assessor uit?
/ɑˈsɛsɔr/
Assessor bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɑ | bad |
| s | sok |
| ɛ | bed |
| ɔ | bot |
| r | rood |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine
- beoordelaar van een examen of eindwerk
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| assessoren | meervoud |
| assessors | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘bijzitter, helper’ voor het eerst aangetroffen in 1567
Woordfamilie van assessor
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| assessoren | meervoud | assessor |
| assessors | meervoud | assessor |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van assessor zijn vastgelegd.