aspidistra
zelfstandig naamwoord ɑspi'dɪstraBetekenis
- botanische naam van een geslacht van eenzaadlobbige planten: de naam wordt ook in het Nederlands gebruikt voor sierplanten in dit geslacht die als kamerplant gebruikt worden
Hoe spreek je aspidistra uit?
/ɑspiˈdɪstra/
Aspidistra bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de derde.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɑ | bad |
| s | sok |
| p | pak |
| i | riet |
| d | dak |
| ɪ | pit |
| t | tak |
| r | rood |
| a | maan |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- botanische naam van een geslacht Aspidistra van eenzaadlobbige planten: de naam wordt ook in het Nederlands gebruikt voor sierplanten in dit geslacht die als kamerplant gebruikt worden
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| aspidistra's | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het modern Latijn, in de betekenis van ‘plantengeslacht’ voor het eerst aangetroffen in 1891
Woordfamilie van aspidistra
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| aspidistra's | meervoud | aspidistra |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van aspidistra zijn vastgelegd.