Arctisch
bijvoeglijk naamwoord ˈɑrktisBetekenis
- tot de noordpoolstreken behorend of daar voorkomend dus m.b.t. Arctica
Hoe spreek je Arctisch uit?
/ˈɑrktis/
Arctisch bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɑ | bad |
| r | rood |
| k | kat |
| t | tak |
| i | riet |
| s | sok |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
bijvoeglijk naamwoord
- tot het Noordpoolgebied behorend, daar voorkomend of daarop betrekking hebbend
Verbuiging en vervoeging (bijvoeglijk naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| Arctische | verbogen, stellende trap |
| Arctischer | onverbogen, vergrotende trap |
| Arctischere | verbogen, vergrotende trap |
| Arctischers | partitief, vergrotende trap |
| arctisch | |
| arktisch |
Herkomst
via Duits arktisch bn en Latijn arcticus van Oudgrieks ἀρκτικός "noordelijk, (in de richting) van de Grote Beer", op te vatten als afgeleid van Arctis met het achtervoegsel -isch, in de betekenis van ‘Noordpool-’ voor het eerst aangetroffen in 1740; geschreven met een hoofdletter volgens spellingregel 16.F
Woordfamilie van Arctisch
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| Arctische | verbogen vorm | Arctisch |
| Arctischer | vergrotende trap | Arctisch |
| Arctischere | verbogen vergrotende trap | Arctisch |
| Arctischers | partitieve vergrotende trap | Arctisch |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van Arctisch zijn vastgelegd.