alleenstaande
bijvoeglijk naamwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- iemand die geen partner heeft
Woordvorm
- verbogen vorm van de stellende trap van alleenstaand
Herkomst
In de betekenis van ‘vrijgezel’ voor het eerst aangetroffen in 1984
Woordfamilie van alleenstaande
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| alleenstaanden | meervoud | alleenstaande |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van alleenstaande zijn vastgelegd.