alibi
zelfstandig naamwoord //ˈaː.liˌbi/Betekenis
- het kunnen aantonen dat men elders was tijdens het zich voltrekken van een misdaad, waardoor men uitgesloten kan worden van beschuldiging
- smoesje
- elders, ergens anders
Hoe spreek je alibi uit?
/ˈaliˌbi/
Alibi bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| a | maan |
| l | land |
| i | riet |
| b | bak |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| alibi's | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘het aanwezig-zijn elders’ voor het eerst aangetroffen in 1510
Woordfamilie van alibi
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| alibi's | meervoud | alibi |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van alibi zijn vastgelegd.