afdekzeil
zelfstandig naamwoord ˈɑvdɛksɛɪlBetekenis
- doek waarmee men lading kan beschermen tegen weer en wind, vaak met metalen ogen aan de rand om het vast te kunnen sjorren
- doek waarmee men een open boot kan afdekken
Hoe spreek je afdekzeil uit?
/ˈɑvdɛksɛil/
Afdekzeil bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɑ | bad |
| v | vis |
| d | dak |
| ɛ | bed |
| k | kat |
| s | sok |
| ɛi | trein |
| l | land |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| afdekzeilen | meervoud |
Herkomst
samenstelling van afdekken ww en zeil zn
Woordfamilie van afdekzeil
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| afdekzeilen | meervoud | afdekzeil |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afdekzeil zijn vastgelegd.