zelfvoorzienend
bijvoeglijk naamwoordBetekenis
- helemaal jezelf kunnen onderhouden zonder hulp van anderen
- een land dat zo weinig mogelijk afhankelijk is van andere landen en een gesloten economie heeft (een economie met weinig buitenlandse handel)
Verbuiging en vervoeging (bijvoeglijk naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| zelfvoorzienende | verbogen, stellende trap |
| zelfvoorzienender | onverbogen, vergrotende trap |
| zelfvoorzienendere | verbogen, vergrotende trap |
| zelfvoorzienenders | partitief, vergrotende trap |
| zelfvoorzienends | partitief, stellende trap |
| zelfvoorzienendst | onverbogen, overtreffende trap |
| zelfvoorzienendste | verbogen, overtreffende trap |
Herkomst
samenstelling van zelf zn "eigen persoon" en voorzienend bn
Woordfamilie van zelfvoorzienend
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| zelfvoorzienende | verbogen vorm | zelfvoorzienend |
| zelfvoorzienender | vergrotende trap | zelfvoorzienend |
| zelfvoorzienendere | verbogen vergrotende trap | zelfvoorzienend |
| zelfvoorzienenders | partitieve vergrotende trap | zelfvoorzienend |
| zelfvoorzienends | partitive, positive | zelfvoorzienend |
| zelfvoorzienendst | uninflected, superlative | zelfvoorzienend |
| zelfvoorzienendste | inflected, superlative | zelfvoorzienend |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van zelfvoorzienend zijn vastgelegd.