zelfkritisch
bijvoeglijk naamwoordBetekenis
- zichzelf beoordelend, meestal gericht op dat wat verbeterd zou moeten worden
- tweede betekenisomschrijving
Verbuiging en vervoeging (bijvoeglijk naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| zelfkritische | verbogen, stellende trap |
| zelfkritischer | onverbogen, vergrotende trap |
| zelfkritischere | verbogen, vergrotende trap |
| zelfkritischers | partitief, vergrotende trap |
Herkomst
samenstelling van zelf en kritisch
Woordfamilie van zelfkritisch
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| zelfkritische | verbogen vorm | zelfkritisch |
| zelfkritischer | vergrotende trap | zelfkritisch |
| zelfkritischere | verbogen vergrotende trap | zelfkritisch |
| zelfkritischers | partitieve vergrotende trap | zelfkritisch |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van zelfkritisch zijn vastgelegd.