vanzelfsprekend
bijvoeglijk naamwoord, bijwoordBetekenis
- overduidelijk geldend, zonder verdere uitleg duidelijk
- iets dat geen verdere uitleg nodig heeft
- automatisch zonder er verder bij na te denken
Verbuiging en vervoeging (bijvoeglijk naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| vanzelfsprekende | verbogen, stellende trap |
| vanzelfsprekender | onverbogen, vergrotende trap |
| vanzelfsprekendere | verbogen, vergrotende trap |
| vanzelfsprekenders | partitief, vergrotende trap |
| vanzelfsprekends | partitief, stellende trap |
| vanzelfsprekendst | onverbogen, overtreffende trap |
| vanzelfsprekendste | verbogen, overtreffende trap |
Herkomst
samenstelling van vanzelf en sprekend
Woordfamilie van vanzelfsprekend
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| vanzelfsprekende | verbogen vorm | vanzelfsprekend |
| vanzelfsprekender | vergrotende trap | vanzelfsprekend |
| vanzelfsprekendere | verbogen vergrotende trap | vanzelfsprekend |
| vanzelfsprekenders | partitieve vergrotende trap | vanzelfsprekend |
| vanzelfsprekends | partitive, positive | vanzelfsprekend |
| vanzelfsprekendst | uninflected, superlative | vanzelfsprekend |
| vanzelfsprekendste | inflected, superlative | vanzelfsprekend |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van vanzelfsprekend zijn vastgelegd.