stroef
bijvoeglijk naamwoord, bijwoordBetekenis
- de wrijwingsweerstand van een ruw oppervlak
- moeilijk beweegbaar (verschuifbaar)
- ongemakkelijk, in sociale contacten problematisch
- op moeizame wijze
bijvoeglijk naamwoord
- de wrijvingsweerstand van een ruw oppervlak
Verbuiging en vervoeging (bijvoeglijk naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| stroefs | partitief, stellende trap |
| stroefst | onverbogen, overtreffende trap |
| stroefste | verbogen, overtreffende trap |
| stroeve | verbogen, stellende trap |
| stroever | onverbogen, vergrotende trap |
| stroevere | verbogen, vergrotende trap |
| stroevers | partitief, vergrotende trap |
Herkomst
In de betekenis van ‘ruw, niet vlot’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1750
Woordfamilie van stroef
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| stroefs | partitive, positive | stroef |
| stroefst | uninflected, superlative | stroef |
| stroefste | inflected, superlative | stroef |
| stroeve | verbogen vorm | stroef |
| stroever | vergrotende trap | stroef |
| stroevere | verbogen vergrotende trap | stroef |
| stroevers | partitieve vergrotende trap | stroef |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van stroef zijn vastgelegd.