rechtschapen
bijvoeglijk naamwoordBetekenis
- van mensen dat ze zich houden aan de morele normen en waarden
Verbuiging en vervoeging (bijvoeglijk naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| rechtschapener | onverbogen, vergrotende trap |
| rechtschapeners | partitief, vergrotende trap |
| rechtschapens | partitief, stellende trap |
| rechtschapenst | onverbogen, overtreffende trap |
| rechtschapenste | verbogen, overtreffende trap |
Herkomst
Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘deugdzaam’ voor het eerst aangetroffen in 1454
Woordfamilie van rechtschapen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| rechtschapener | vergrotende trap | rechtschapen |
| rechtschapeners | partitieve vergrotende trap | rechtschapen |
| rechtschapens | partitive, positive | rechtschapen |
| rechtschapenst | uninflected, superlative | rechtschapen |
| rechtschapenste | inflected, superlative | rechtschapen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van rechtschapen zijn vastgelegd.