provinciaals
bijvoeglijk naamwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- met , volgens opvattingen van stedelingen, plattelandseigenschappen: achterlijk, bekrompen, beetje boers
Verbuiging en vervoeging (bijvoeglijk naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| provinciaalse | verbogen, stellende trap |
| provinciaalser | onverbogen, vergrotende trap |
| provinciaalsere | verbogen, vergrotende trap |
| provinciaalsers | partitief, vergrotende trap |
| provinciaalst | onverbogen, overtreffende trap |
| provinciaalste | verbogen, overtreffende trap |
Woordvorm
- partitief van de stellende trap van provinciaal
Verbuiging en vervoeging (bijvoeglijk naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| provinciaalse | verbogen, stellende trap |
| provinciaalser | onverbogen, vergrotende trap |
| provinciaalsere | verbogen, vergrotende trap |
| provinciaalsers | partitief, vergrotende trap |
| provinciaalst | onverbogen, overtreffende trap |
| provinciaalste | verbogen, overtreffende trap |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord provinciaal
Herkomst
afgeleid van provinciaal met het achtervoegsel -s
Woordfamilie van provinciaals
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| provinciaalse | verbogen vorm | provinciaals |
| provinciaalser | vergrotende trap | provinciaals |
| provinciaalsere | verbogen vergrotende trap | provinciaals |
| provinciaalsers | partitieve vergrotende trap | provinciaals |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van provinciaals zijn vastgelegd.