praktisch
bijvoeglijk naamwoord, bijwoordBetekenis
- op een manier die ook echt uitgevoerd kan worden
- zogoed als, vrijwel
bijvoeglijk naamwoord
- op een manier die ook echt uitgevoerd kan worden, en zodoende nuttig
Verbuiging en vervoeging (bijvoeglijk naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| praktische | verbogen, stellende trap |
| praktischer | onverbogen, vergrotende trap |
| praktischere | verbogen, vergrotende trap |
| praktischers | partitief, vergrotende trap |
bijwoord
- zogoed als, in die mate dat het verschil met "helemaal" verwaarloosbaar is (daarmee nog wat sterker in gradatie dan bijna en haast)
Herkomst
afgeleid van het Duits met het achtervoegsel -isch
Woordfamilie van praktisch
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| praktische | verbogen vorm | praktisch |
| praktischer | vergrotende trap | praktisch |
| praktischere | verbogen vergrotende trap | praktisch |
| praktischers | partitieve vergrotende trap | praktisch |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van praktisch zijn vastgelegd.