pauselijk
bijvoeglijk naamwoordBetekenis
- betrekking hebbend op de paus, het hoofd van de rooms-katholieke kerk
Verbuiging en vervoeging (bijvoeglijk naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| pauselijke | verbogen, stellende trap |
| pauselijker | onverbogen, vergrotende trap |
| pauselijkere | verbogen, vergrotende trap |
| pauselijkers | partitief, vergrotende trap |
| pauselijks | partitief, stellende trap |
| pauselijkst | onverbogen, overtreffende trap |
| pauselijkste | verbogen, overtreffende trap |
Herkomst
afleiding van paus met het achtervoegsel -lijk en met het invoegsel -e-
Woordfamilie van pauselijk
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| pauselijke | verbogen vorm | pauselijk |
| pauselijker | vergrotende trap | pauselijk |
| pauselijkere | verbogen vergrotende trap | pauselijk |
| pauselijkers | partitieve vergrotende trap | pauselijk |
| pauselijks | partitive, positive | pauselijk |
| pauselijkst | uninflected, superlative | pauselijk |
| pauselijkste | inflected, superlative | pauselijk |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van pauselijk zijn vastgelegd.