pastoraal
bijvoeglijk naamwoordBetekenis
- landelijk, herderlijk
- betrekking hebbend op iemand (vaak de pastoor of kapelaan) die als een goede herder voor het zielenheil van de aan zijn zorgen toevertrouwde gelovigen zorgt
Verbuiging en vervoeging (bijvoeglijk naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| pastoraals | partitief, stellende trap |
| pastoraalst | onverbogen, overtreffende trap |
| pastoraalste | verbogen, overtreffende trap |
| pastorale | verbogen, stellende trap |
| pastoraler | onverbogen, vergrotende trap |
| pastoralere | verbogen, vergrotende trap |
| pastoralers | partitief, vergrotende trap |
Herkomst
uit het Latijn
Woordfamilie van pastoraal
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| pastoraals | partitive, positive | pastoraal |
| pastoraalst | uninflected, superlative | pastoraal |
| pastoraalste | inflected, superlative | pastoraal |
| pastoraler | vergrotende trap | pastoraal |
| pastoralere | verbogen vergrotende trap | pastoraal |
| pastoralers | partitieve vergrotende trap | pastoraal |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van pastoraal zijn vastgelegd.