onuitsprekelijk
bijvoeglijk naamwoordBetekenis
- zo groot of sterk dat er geen woorden voor zijn; zeer, heel
- dat de klanken zo moeilijk zijn dat je een woord of zin niet kunt uitspreken
- dat wat je niet in woorden kunt uitdrukken omdat het een gevoelszaak is
Verbuiging en vervoeging (bijvoeglijk naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| onuitsprekelijke | verbogen, stellende trap |
| onuitsprekelijker | onverbogen, vergrotende trap |
| onuitsprekelijkere | verbogen, vergrotende trap |
| onuitsprekelijkers | partitief, vergrotende trap |
| onuitsprekelijks | partitief, stellende trap |
| onuitsprekelijkst | onverbogen, overtreffende trap |
| onuitsprekelijkste | verbogen, overtreffende trap |
Herkomst
Naamwoord van handeling van uitspreken met het voorvoegsel on- en met het achtervoegsel -lijk met het invoegsel -e-
Woordfamilie van onuitsprekelijk
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| onuitsprekelijke | verbogen vorm | onuitsprekelijk |
| onuitsprekelijker | vergrotende trap | onuitsprekelijk |
| onuitsprekelijkere | verbogen vergrotende trap | onuitsprekelijk |
| onuitsprekelijkers | partitieve vergrotende trap | onuitsprekelijk |
| onuitsprekelijks | partitive, positive | onuitsprekelijk |
| onuitsprekelijkst | uninflected, superlative | onuitsprekelijk |
| onuitsprekelijkste | inflected, superlative | onuitsprekelijk |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van onuitsprekelijk zijn vastgelegd.