ongezeglijk
bijvoeglijk naamwoordBetekenis
- van een persoon (meestal een kind) dat je hem niets kunt zeggen omdat hij toch niet luistert en geboden niet wil opvolgen
Verbuiging en vervoeging (bijvoeglijk naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ongezeglijke | verbogen, stellende trap |
| ongezeglijker | onverbogen, vergrotende trap |
| ongezeglijkere | verbogen, vergrotende trap |
| ongezeglijkers | partitief, vergrotende trap |
| ongezeglijks | partitief, stellende trap |
| ongezeglijkst | onverbogen, overtreffende trap |
| ongezeglijkste | verbogen, overtreffende trap |
Herkomst
afleiding van gezeglijk met het voorvoegsel on-
Woordfamilie van ongezeglijk
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ongezeglijke | verbogen vorm | ongezeglijk |
| ongezeglijker | vergrotende trap | ongezeglijk |
| ongezeglijkere | verbogen vergrotende trap | ongezeglijk |
| ongezeglijkers | partitieve vergrotende trap | ongezeglijk |
| ongezeglijks | partitive, positive | ongezeglijk |
| ongezeglijkst | uninflected, superlative | ongezeglijk |
| ongezeglijkste | inflected, superlative | ongezeglijk |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ongezeglijk zijn vastgelegd.