manisch
bijvoeglijk naamwoordBetekenis
- ziekelijk aanleggen|aangelegd (opgewonden psychische toestand)
bijvoeglijk naamwoord
- ziekelijk aangelegd (opgewonden psychische toestand)
Verbuiging en vervoeging (bijvoeglijk naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| manische | verbogen, stellende trap |
| manischer | onverbogen, vergrotende trap |
| manischere | verbogen, vergrotende trap |
| manischers | partitief, vergrotende trap |
Herkomst
In de betekenis van ‘ziekelijk opgewekt’ voor het eerst aangetroffen in 1913
Woordfamilie van manisch
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| manische | verbogen vorm | manisch |
| manischer | vergrotende trap | manisch |
| manischere | verbogen vergrotende trap | manisch |
| manischers | partitieve vergrotende trap | manisch |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van manisch zijn vastgelegd.