liederlijk
bijvoeglijk naamwoord, bijwoordBetekenis
- volstrekt zedeloos
- in de hoogste mate
Verbuiging en vervoeging (bijvoeglijk naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| liederlijke | verbogen, stellende trap |
| liederlijker | onverbogen, vergrotende trap |
| liederlijkere | verbogen, vergrotende trap |
| liederlijkers | partitief, vergrotende trap |
| liederlijks | partitief, stellende trap |
| liederlijkst | onverbogen, overtreffende trap |
| liederlijkste | verbogen, overtreffende trap |
Herkomst
Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘losbandig’ voor het eerst aangetroffen in 1709
Woordfamilie van liederlijk
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| liederlijke | verbogen vorm | liederlijk |
| liederlijker | vergrotende trap | liederlijk |
| liederlijkere | verbogen vergrotende trap | liederlijk |
| liederlijkers | partitieve vergrotende trap | liederlijk |
| liederlijks | partitive, positive | liederlijk |
| liederlijkst | uninflected, superlative | liederlijk |
| liederlijkste | inflected, superlative | liederlijk |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van liederlijk zijn vastgelegd.