jute
zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoordBetekenis
- de bastvezels van een soort van hennep waar bijvoorbeeld zakken van gemaakt worden
- gemaakt van jute
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- bastvezels van een soort van hennep (Corchorus olitorius of Corchorus capsularis) waar bijvoorbeeld zakken van gemaakt worden
Herkomst
Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘vezelstof’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1858