inert
bijvoeglijk naamwoordBetekenis
- traag, willoos
- (van stoffen) niet of nauwelijks een reactie aangaand met andere stoffen
- (van voorwerpen) de eigenschap bezittend om te volharden in een gegeven toestand van rust of eenparige beweging
- te conservatief, te star
bijvoeglijk naamwoord
- niet of nauwelijks een reactie aangaand met andere stoffen
- de eigenschap bezittend om te volharden in een gegeven toestand van rust of eenparige beweging
Verbuiging en vervoeging (bijvoeglijk naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| inerte | verbogen, stellende trap |
| inerter | onverbogen, vergrotende trap |
| inertere | verbogen, vergrotende trap |
| inerters | partitief, vergrotende trap |
| inerts | partitief, stellende trap |
| inertst | onverbogen, overtreffende trap |
| inertste | verbogen, overtreffende trap |
Herkomst
Van Frans inerte, in de betekenis van ‘traag’ voor het eerst aangetroffen in 1824
Woordfamilie van inert
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| inerte | verbogen vorm | inert |
| inerter | vergrotende trap | inert |
| inertere | verbogen vergrotende trap | inert |
| inerters | partitieve vergrotende trap | inert |
| inerts | partitive, positive | inert |
| inertst | uninflected, superlative | inert |
| inertste | inflected, superlative | inert |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van inert zijn vastgelegd.