have
zelfstandig naamwoordBetekenis
- bezit
- tuin (bijv. een groentetuin, moestuin)
- tuin (bijv. een siertuin)
- volkstuin
- tuin, landschapstuin (bijv. een Engelse tuin)
- park
- ruimte met grote ramen (of dakramen) waar het mogelijk is (tropische) planten te laten groeien het hele jaar door (wintertuin)
- Tuin van Eden (paradijs)
- hebben
- (to + infinitief) moeten
- baren
Herkomst
In de betekenis van ‘bezit’ voor het eerst aangetroffen in 1237