halfzacht
bijvoeglijk naamwoordBetekenis
- (van karakter) variërend van 'niet doortastend genoeg' tot 'zacht gekookt eitje'
- (van eieren) niet hard en niet snotterig
bijvoeglijk naamwoord
- variërend van 'niet doortastend genoeg' tot 'zacht gekookt eitje"
- niet hard en niet snotterig
Verbuiging en vervoeging (bijvoeglijk naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| halfzachte | verbogen, stellende trap |
| halfzachter | onverbogen, vergrotende trap |
| halfzachtere | verbogen, vergrotende trap |
| halfzachters | partitief, vergrotende trap |
| halfzachts | partitief, stellende trap |
| halfzachtst | onverbogen, overtreffende trap |
| halfzachtste | verbogen, overtreffende trap |
Herkomst
samenstelling van half en zacht
Woordfamilie van halfzacht
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| halfzachte | verbogen vorm | halfzacht |
| halfzachter | vergrotende trap | halfzacht |
| halfzachtere | verbogen vergrotende trap | halfzacht |
| halfzachters | partitieve vergrotende trap | halfzacht |
| halfzachts | partitive, positive | halfzacht |
| halfzachtst | uninflected, superlative | halfzacht |
| halfzachtste | inflected, superlative | halfzacht |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van halfzacht zijn vastgelegd.