half
hoofdtelwoord, bijvoeglijk naamwoord, zelfstandig naamwoord /ɦɑlf/Betekenis
- de helft (½)
- de helft zijnde
- voor de helft
- helft
Hoe spreek je half uit?
/hɑlf/
Half bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| h | hoed |
| ɑ | bad |
| l | land |
| f | fiets |
Herkomst
In de betekenis van ‘telwoord: de helft’ voor het eerst aangetroffen in 1236
Woordfamilie van half
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| halfs | woordvorm | half |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van half zijn vastgelegd.