Frankisch
eigennaam, bijvoeglijk naamwoord ˈfrɑŋkisBetekenis
- taal gesproken door de Franken, die hun historische oorsprong in het oosten van het Frankische rijk hebben
- van de Franken
Hoe spreek je Frankisch uit?
/ˈfrɑŋkis/
Frankisch bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| f | fiets |
| r | rood |
| ɑ | bad |
| ŋ | ding |
| k | kat |
| i | riet |
| s | sok |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
eigennaam — neuter
- verzamelnaam voor het Oudfrankisch en de talen die daaruit in de vroege middeleeuwen zijn ontstaan no-plural
- Germaanse taal gesproken door de Franken in de 3e tot de 8e eeuw, die toen in Duitsland, de Lage Landen en Frankrijk leefden linguistics, no-plural
bijvoeglijk naamwoord
- behorend tot of betrekking hebbend op de Frankische taal en de daaruit voortgekomen talen
Herkomst
afgeleid van Frank met het achtervoegsel -isch
Woordfamilie van Frankisch
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| Frankische | woordvorm | Frankisch |
| Frankischer | woordvorm | Frankisch |
| Frankischere | woordvorm | Frankisch |
| Frankischers | woordvorm | Frankisch |
| Frankischt | woordvorm | Frankisch |
| Frankischte | woordvorm | Frankisch |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van Frankisch zijn vastgelegd.