flux
zelfstandig naamwoord, bijwoord /flʏks/Betekenis
- stroom, stroming, vloed
- de hoeveelheid doorstroom door een oppervlak (aantal krachtlijnen dat loodrecht door een oppervlakte-eenheid gaat)
- een zout of hars met een laag smeltpunt dat gebruikt wordt om oxidatie tijdens het solderen te verhinderen, soldeerflux
- tot in de 19e eeuw voorkomende schrijfwijze van fluks
- de hoeveelheid doorstroom door een oppervlak
- toevoeging aan gesmolten metaal om oxidatie tegen te gaan en het goed te laten vloeien
- afscheiding van een lichamelijke vloeistof door ziekte
- stroom, stroming
- toestand van verandering
- ziekte die gepaard gaat met afscheiding van lichaamsvocht, lichaamsvocht afgescheiden door ziekte
Hoe spreek je flux uit?
/flʏks/
Flux bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| f | fiets |
| l | land |
| ʏ | put |
| k | kat |
| s | sok |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘de bouche radheid van tong’ voor het eerst aangetroffen in 1835