blindelings
bijvoeglijk naamwoord, bijwoord ˈblɪndəˌlɪŋsBetekenis
- in den blinde gebeurend
- zonder kennis van zaken
- zonder te zien
- in het wilde weg, zonder overleg, op goed geluk
- zonder zich een eigen oordeel te vormen
Hoe spreek je blindelings uit?
/ˈblɪndəˌlɪŋs/
Blindelings bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| l | land |
| ɪ | pit |
| n | nek |
| d | dak |
| ə | de |
| ŋ | ding |
| s | sok |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
Verbuiging en vervoeging (bijvoeglijk naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| blindelingse | verbogen, stellende trap |
Herkomst
In de betekenis van ‘bijwoord van hoedanigheid: zonder te kijken’ voor het eerst aangetroffen in 1562
Woordfamilie van blindelings
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| blindelingse | verbogen vorm | blindelings |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van blindelings zijn vastgelegd.